<%@LANGUAGE="VBSCRIPT" CODEPAGE="1252"%> Burgerlijke stand

Burgerlijke stand

1792 - 20 september

Ten tijde van de Franse Revolutie werd door middel van decreet de burgerstand ingevoerd door de Franse Overheid: voor alle geboorten, huwelijken en overlijdens werden burgerlijke akten opgemaakt en ingeschreven in de respectievelijke registers, die samen de officiële burgerlijke stand vormen.

1795-1797

In de Zuidelijke Nederlanden (Zeeuws Vlaanderen, Limburg en delen van Brabant) werd bij hun inlijving eind 1794 bij de Franse Republiek deze wetgeving door de gemeentebesturen vrij snel toegepast.

1803 - 1 april

Door de Germinalwet werd verboden een andere naam te voeren dan die vermeld in de geboorteakte

1808 - 20 juli

Iedereen die nog geen achternaam had werd verplicht er een te kiezen. Tevens werd vastgelegd dat achternamen altijd van vader op kind zouden overgaan.

De meeste mensen die een naam moesten aannemen lieten hun reeds bestaande familienaam registreren. Een aantal lieten daarbij, om de Fransen gunstig te stemmen, hun familienaam verfransen: namen als Carpentier, Du Bois en Le Jeune ontstonden op die manier.

1810-1814

Na de inlijving van de noordelijke provincies in 1810 werd de Franse wetgeving ook daar van toepassing. De bezetter kwam er echter al snel achter dat vooral op het platteland in het noorden en het oosten, alsmede onder de Joden, er velen waren zonder achternaam. Daarom beval Napoleon op 18 augustus 1811 bij Keizerlijk Decreet uitdrukkelijk eenieder die nog geen familienaam had er binnen een jaar een aan te nemen. Op 17 mei 1813 werd bij decreet de termijn voor naamaanneming verlengd tot 1 januari 1814.

Veel mensen gaven echter geen naam op omdat ze er geen hadden. Ook gebeurde het dat een eerder aangenomen naam naar eigen inzicht werd gewijzigd. Uit protest of balorigheid gaven sommigen onzedelijke of gekke familienamen op, zich niet realiserend wat zij hun nageslacht hiermee aandeden: ze gingen er van uit dat de wettelijke verplichting van de Fransen van korte duur zou zijn en dat de maatregel terug zou ingetrokken worden. Dat bleek echter een misvatting: de Fransen verdwenen, maar niet hun wetten.

1825 - 5 november

Omdat het allemaal erg bont werd vaardigde Koning Willem I een Koninklijk Besluit uit waarin het bevel tot aannemen van een familienaam onder strafbedreiging werd herhaald. Het Koninklijk Besluit had effect, het publiek accepteerde de maatregel nu wel.

Tevens werd bepaald dat alleen de koning bevoegd is om een familienaam te wijzigen. De op de lachspieren werkende familienamen zoals Konijn, Naaktgeboren, Nol, Pannekoek, Peereboom, Piest, Poepjes, Rotmensen, Schaap, Waterdrinker, Wortel of Zeldenthuis bleven dan ook geregistreerd.

1840

In de Zuidelijke Nederlanden werden tot in 1840 de registers in het Frans bijgehouden. Vanaf deze periode kregen de gemeentebesturen de toelating het Nederlands te gebruiken, wat de gemeentelijke diensten van de burgerstand dan ook deden, de ene echter vlugger dan de andere.