%@LANGUAGE="VBSCRIPT" CODEPAGE="1252"%>
Ontstaan
1000
Wie in geschreven bronnen van het jaar 1000 speurt naar familienamen zal er geen vinden. Wel kom je doop- en voornamen tegen, terwijl enkelen een toenaam of bijnaam voerden.
Bij- of toenamen werden meestal ontleend aan lichamelijke of geestelijke eigenschappen, bvb. Willem de Zwijger, Karel de Grote, Karel de Kale, Willem de Veroveraar. Deze namen waren zeer individueel en gingen niet over van vader op zoon.
12 de eeuw
Het gebruik van geslachtsnamen waaide vanuit Italië via Zwitserland en Duitsland over naar de Nederlanden: leden van hetzelfde geslacht laten zich graag noemen naar een roemrucht voorvader of het grondgebied waarover de familie heer en meester was.
14 de eeuw
Zowat alle adellijke geslachten bezitten een geslachtsnaam, die wel werd overgedragen naar het nageslacht.
Door de toename van de bevolking ontstond de gewoonte niet-adellijke personen met eenzelfde voor- of doopnaam van elkaar te onderscheiden door een bijkomende naam toe te voegen.
Vaak werd een zogenaamd patroniem en een enkele keer een matroniem toegepast, aanduidingen gebaseerd op de naam van de vader of de moeder:
Soms werd verwezen naar het eigen of het door de vader uitgeoefende beroep, bvb. De Cuyper (kuiper), De Keersmaecker (kaarsenmaker), De Schrijver, Koopman, Beckers = zoon van de 'bekker' (bakker), Schreurs = zoon van de 'schreur' (kleermaker), Smeets = zoon van de smid.
Inwijkelingen kregen vaak een bij- of toenaam die verwees naar het gehucht of de plaats van herkomst. Hiertoe behoren o.a. de talrijke namen beginnend met 'van' of ‘ver’ zoals Van Antwerpen, Van De Vijver, Van De Wal, Van Der Heijden, Vanhoecke en Vermeulen (meulen = molen).
Ook werden huis- of boerderijnamen als bijnaam gebruikt en heette men naar de boerderij waar men woonde. Zolang de boerderij van vader op zoon overgaat, lijkt dat op een erfelijke geslachtsnaam. Maar de achternaam veranderde als men verhuisde, bijvoorbeeld om in te trouwen op een andere boerderij. Deze gewoonte wordt in op dit ogenblik in Oost-Nederland nog steeds gehanteerd: mensen zijn daar beter bekend bij hun boerderijnaam dan bij hun officiële achternaam!
Vaak werd de bijnaam gebaseerd op een fysisch kenmerk, een karaktereigenschap of andere eigenaardigheid van de persoon, bv. De Jonghe, De Oude, De Wilde, De Zwijger, Everaert (de aard van een Ever = wild zwijn), Kindt, Rijckaert, Sterck.
Bij- of toenamen hadden oorspronkelijk een persoonlijk karakter, wat wil zeggen dat de vader, broers en kinderen geen of een andere toenaam hadden. Het kwam zelfs voor dat in de loop van een mensenleven, bv. bij een verandering van woonplaats of beroep, de bij- of toenaam wijzigde.
Broers en zussen hadden meestal eenzelfde patroniem, maar gaven dit niet door aan hun kinderen.
Oorspronkelijk veranderde dus het patroniem of de bij- of toenaam van generatie op generatie.
Soms gebeurde het echter dat een kind het patroniem of de bijnaam van zijn vader overnam: de zoon van Jan Hendriks bv. werd Pieter Janssen Hendriks genoemd. De naam Hendriks werd hierdoor tot drie generaties uitgebreid (grootvader, vader, zoon) en staat op het punt van, mits deze overdracht ook door de komende generaties verder gezet wordt, een vaste familienaam te worden.
Circa 1600
De bewoners van de Zuidelijke Nederlanden (± 95%) hebben eerder vaste familienamen aangenomen dan die van de Noordelijke Nederlanden. In de Noordelijke Nederlanden was dit beduidend later, soms pas in de tweede helft van de 19 e eeuw.